Gelezen:
De prijs van witheid bij de Dolle Mina’s
Het nieuwe zusterschap, met groeipijn
Boeken die mij in die tijd vormden:
Feminisme en vrouwenstudies:
Nancy Chodorow — The Reproduction of Mothering (1978)
Philomena Essed — Alledaags racisme (1984)
Adrienne Rich — Of Woman Born (1976)
Marilyn French — The Women’s Room (1977)
Mary Daly — Beyond God the Father (1973)
Sociologie en kolonialisme:
Frantz Fanon — De verworpenen der aarde (1961)
H.Ph. Milikowski — Lof der onaangepastheid (1967)
Zelfs als je heilig bent,
verlicht met gouden aureool,
met één oog is het perspectief
toch minder accuraat
meer rechtlijnig gehalveerd
ik denk dat empathie
en mededogen zich aan de blinde
kant bevinden
Gedicht uit De laatste dwaze krabbels
uit de serie Dwaze krabbels
Lees hier meer over de Dwaze krabbels
Alle dwaze krabbels zijn te lezen op: @dwaze_krabbels
©IJda Smits
De teloorgang van het geheugen
Ik wil al een tijdje een tekst schrijven over morele zekerheid. Het lukt me niet — het is een te groot onderwerp voor mij. Dus pak ik een bolletje roze wol en ga een varkentje haken. Misschien wil ik daarmee het onderwerp eerst klein maken voordat ik het aanpak. De kleur roze is de kleur van de onschuld, maar ook van de homo- en lesbische beweging in mijn tijd: de roze driehoek die we droegen als eerbetoon aan de homoseksuelen die in de Tweede Wereldoorlog een roze driehoek moesten dragen. Vooruit, doorhaken — dan komt mijn schrijfvaardigheid ook weer op gang.
En waarom wil ik dit grote onderwerp aanpakken?
Omdat ik soms teksten lees die zo enthousiast geprezen worden om helderheid, scherpte en morele overtuiging, dat ik er graag op wil reageren — maar dat niet doe. Want terwijl ik lees, ontstaat er een aarzeling, een soort tegenzin. Niet omdat de onderwerpen onbelangrijk zijn — racisme, femicide, ongelijkheid en macht verdienen alle aandacht — maar omdat de toon zo doordrenkt is van morele verongelijktheid dat ik me afvraag: is zo halstarrig aan je eigen gelijk vasthouden niet gevaarlijk? Zijn de rollen zo helder verdeeld dat wie eenmaal aan de juiste kant staat, niet langer hoeft te twijfelen?
Je zou denken dat die neiging alleen aan extreem rechts, antidemocraten en autoritaire leiders is voorbehouden. Ik schrikt dan ook op als iemand die ik volg — iemand die ik zie als jong talent in het schrijven van linkse opiniestukken — in een stuk naar anderen trapt, in de overtuiging van het eigen gelijk heeft.
Ik haak nog even een paar toertjes aan mijn roze varkentje om mijn gedachten te ordenen en moed te verzamelen. Want ik wil iets over mezelf vertellen — over mijn eigen plek in precies die beweging die nu zo gemakkelijk wordt weggezet. Maar eerst nog even zeggen waarom het mij zo tegen de borst stuit.
Laatst las ik een tekst waarin het feminisme uit de tijd dat ik er deel van uitmaakte, werd samengevat onder de noemer ‘wit feminisme’. Het stuk werd veel gedeeld en enthousiast ontvangen. Toch keek ik er met groeiende verbazing naar. Niet omdat kritiek op het feminisme onmogelijk zou zijn — geen enkele beweging staat boven kritiek — maar omdat een complexe en vaak rommelige geschiedenis van zoeken, botsen en veranderen plotseling werd samengebracht in één etiket. Die geschiedenis werd niet benaderd als een periode waarin hard gewerkt werd en veel maatschappelijke veranderingen hun vorm vonden.
Eerlijk gezegd voelde ik me ook aangesproken, weggezet en beledigd. Want zonder mij en de andere vrouwen die aan veranderingen werkten, waren we nog steeds de huisvrouwen geweest die wettelijk afhankelijk waren van hun vaders en echtgenoten. En ja, misschien was het ‘wit feminisme’ — en ook ‘middenklassefeminisme’, al werd dat laatste in het stuk niet genoemd, terwijl het minstens zo’n belangrijk onderscheid is. En daarmee kom ik op mezelf.

Ik voelde me vaak ongemakkelijk bij de feministische groepen waar ik deel van uitmaakte, omdat ik er niet in paste: het was onduidelijk of ik wel of niet wit was, en als kind uit een arm arbeidersgezin hoorde ik er al helemaal niet vanzelfsprekend bij. Toch deed ik mijn best actief te zijn op de punten die ik belangrijk vond. Op een gegeven moment hield ik een toespraak over Vrouw en Werk en gelijke beloning voor gelijk werk — totdat ik halverwege plotseling aan mijn grootmoeder dacht, aan mijn moeder en de andere vrouwen in mijn familie. Zij moesten werken niet om zichzelf te ontplooien, maar omdat het inkomen van hun mannen niet toereikend was om de — meestal grote — gezinnen draaiende te houden. Ik aarzelde of ik door moest gaan.
Ik pak mijn roze varkentje in wording weer op. Beter gezegd: ik pak alle losse gehaakte onderdelen om ze in elkaar te zetten. Zoals ik probeer mijn geheugen weer in elkaar te zetten — de losse fragmenten weer samen te voegen.
Ik zocht en vond vrouwen bij wie het onbehagen niet speelde. Met hen richtte ik Vrouwen in de Bijstand op — met als kern de feministische idealen van zelfstandigheid, opleiding en ontplooiing, maar dan voor de vrouwen die daar tot dan toe buiten waren gevallen. In de jaren zeventig konden vrouwen eindelijk zelfstandig scheiden en een uitkering aanvragen om zichzelf en hun kinderen te onderhouden — in theorie al eerder mogelijk, maar pas in die jaren in de praktijk haalbaar. Ook slaagden we erin dat vrouwen tijdens hun uitkering een opleiding mochten volgen, om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
Wij begeleidden de vrouwen, ook degenen van wie de kinderen werden ontvoerd of ontnomen. We steunden hen zonder discriminatie op kleur of afkomst. We trokken samen op. Het middenklassegehalte dat me bij andere groepen zo stoorde, was verdwenen. Uit twijfel waren nieuwe initiatieven geboren — maar veel van die initiatieven haalden de media noch de geschiedenisboeken.

Misschien is dit wel de grootste verleiding van onze tijd: de geruststelling van morele zekerheid. Het idee dat de wereld overzichtelijk is geworden, dat we precies weten wie er aan de goede kant staat en wie niet. Maar de werkelijkheid is zelden zo ordelijk. Ze vraagt iets moeilijkers van ons: aandacht, geheugen en soms ook twijfel. Misschien is twijfel wel een vorm van geheugen.
Het roze varkentje is af.


Mijn god, denk ik, hoe hovaardig zijn wij 'westerse' mensen. We weten het nog steeds beter. We begonnen met onze religies op te dringen aan de rest van de wereld, we eigenden ons land en alles wat dat land te bieden had toe, we dringen onze nieuwe religie, onze 'fantastische democratie' op. We vinden ook onze cultuur beter dan alle andere culturen. Het is een soort houding van alles wat anders is moet vernietigd.


