Bericht openen

De kraai, de wijn, de stenen, de jaren en zij

Hij kwam voor het eerst in het voorjaar, onverwacht, en toch alsof hij er altijd al was geweest.

Ik zat op mijn terras toen hij landde op de rand van mijn dak, me aankeek en me krassend toesprak. Ik dronk een glas wijn, voor het eerst dat jaar op het terras van mijn dakhuis. Ik praatte terug tegen hem. Alsof hij iemand was. Alsof hij haar was. Proost, zei ik, wil je ook een wijntje?  Zij was al jaren dood, maar wie ben ik om een kraai tegen te spreken.

Zij geloofde in god en goden en djins. In de ziel die verder gaat, een nieuw lichaam kiest, terugkomt om te kijken hoe het met je gaat. Ik niet. Ik geloof in de dood als eindpunt, in het lichaam dat ophoudt, in de stilte die blijft. En toch praatte ik alsof zij het was. Niet omdat ik geloofde, maar omdat hij het gesprek begon.

Hij luisterde. Of hij deed alsof. Want wat is het babbelen van een oude vrouw vergeleken met zijn krachtige stem?

Hij bleef terugkomen. Elke avond in het voorjaar, elke avond in de zomer, zat hij op de rand van het dak en zeiden we elkaar gedag — hij met een kleine hoofdknik, ik met woorden. Ik vertelde over de stenen die in een lage schaal op het terras stonden, meegebracht van alle plaatsen die ik bezocht had met mijn nieuwe geliefde. Over hoe zij zo graag stenen over het water scheerde in Griekenland. Over missen dat minder wordt, maar het denken aan haar niet. Over hoe raar het is om oud te worden terwijl iemand anders dat niet meer kan.

Hij sloeg zijn vleugels uit en landde naast de schaal. De zorgvuldig meegebrachte getuigen van de wereld — graniet uit Frankrijk, krijtsteen uit Rügen, kwartsiet uit Noorwegen, obsidiaan uit Alaska, een gladde kiezelsteen van een strand in Griekenland. Stenen die ik gevonden had met een ander, na haar. Hij pakte er een op en smeet die in het grind. Ik lachte. Ik was geërgerd. Waarom doe je zoiets, nu kan ik hem niet meer terugvinden.

Zij keek me aan vanuit die zwarte ogen. Zei niets. Wist genoeg.

De Morrigan stuurde haar kraai als boodschapper naar de mensen die haar nodig hadden. De Japanners zagen in de driepotige kraai een goddelijke gids. De raven van Odin — Huginn en Muninn, Gedachte en Geheugen — vlogen elke dag de wereld rond en kwamen ’s avonds terug om verslag te doen. Ik dacht aan al die verhalen en dacht: misschien is een kraai ook gewoon een kraai die een eenzame vrouw op een terras gevonden heeft en besloot te blijven.

Dan komt de winter.

Hij vertrekt niet ver — ik zie hem, of zijn verwanten, in zwermen in de bomen van het grote park aan de overkant, zwarte stippen in de kale takken, een vergadering van wezens die de kou niet vrezen maar de menselijke nabijheid wel. In de winter worden kraaien gemeenschapsdieren. Ze slapen samen in grote slaapplaatsen, soms duizenden bij elkaar, warmte zoekend in het getal. Mijn terras interesseert haar dan niet. Er is geen avondzon op de tegels, geen vrouw die praat over landen en stenen.

Of misschien is het dit: in de winter is er geen grens meer tussen hem en de andere kraaien. Zij lost op in de zwerm. En pas in het voorjaar, als de zwerm uiteenvalt en elk paar zijn eigen territorium claimt, wordt hij weer zij — mijn kraai, de bezoeker, de steen-verplaatser. Hij is altijd alleen. Misschien denkt hij dat dit zijn terras is, dat ik zijn maatje ben. Krassend jaagt hij iedere andere vogel weg.

Dit jaar zit hij verfomfaaid op de rand. Grijs in de veren, daar waar het zwart zou moeten zijn. Hij wordt oud, of hij heeft een moeilijke winter gehad, of hij is gewoon een kraai die de tijd meeneemt in zijn lichaam zoals wij dat ook doen.

Ik stap naar buiten.

Zij kijkt me aan.

Ik geloof nog steeds niet in reïncarnatie. Maar ik geloof wel in terugkeren. In het feit dat iets of iemand, seizoen na seizoen, de moeite neemt om op de rand van mijn dak te komen zitten. In de kleine trouw van een wezen dat had kunnen kiezen voor een ander terras, een ander mens, maar dit koos — dit terras, deze vrouw, deze stenen uit de hele wereld.

Zij geloofde dat de ziel verdergaat.

Ik geloof dat de kraai terugkomt.

Misschien is het hetzelfde.


Belangstelling:
間 — Ma
de ruimte waarin iets kan ontstaan
無為 — Wu wei
meegaan met wat wil ontstaan
fotografie en historische fotografie processen.


© cyanotypes en tekst IJda Smits | IJBer

Bericht openen

Plezier joy bonheur

“We troosten onszelf door herinneringen aan bescherming opnieuw te beleven. Iets geslotens moet onze herinneringen bewaren, zonder hen hun oorspronkelijke waarde als beelden te ontnemen. Herinneringen aan de buitenwereld zullen nooit dezelfde toon hebben als die aan thuis en door deze herinneringen op te roepen, voegen we ze toe aan onze voorraad dromen; we zijn nooit echte historici, maar altijd bijna dichters, en onze emotie is misschien niets anders dan de uitdrukking van een poëzie die verloren ging.” 
UitLa Poétique de l'espace, De poëtica van de ruimte, Gaston Bachelard

Ik had altijd veel plezier in het maken van dingen. Geen grootse dingen, gewoon binnen mijn mogelijkheden. Ik stond ’s morgens op en dacht: oh, vandaag ga ik dit afmaken — of: oh ja, dat wilde ik nog proberen.
Ik herinner me dat plezier, en ik kan het woord niet vaak genoeg herhalen. Plezier, plezier, plezier.
Op een dag werd het serieus. Mijn teken- en schilderlerares gaf me een zetje, en ik werd aangenomen aan de Vrije Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.
Na mijn turbulente actieleven kwam ik het plezier opnieuw in mezelf tegen. Ik schreef al gedichten, maar schrijven gaf me nooit hetzelfde gevoel. Nooit zoveel als werken met mijn handen. Scheppen met mijn handen.

Mijn kinderen waren volwassen, ik hoorde dat ik oma zou worden, en ik had sinds mijn achtendertigste een weduwpensioen dat genoeg was om alleen van te leven. Geen suffe baantjes meer. Ik hoefde alleen nog voor mezelf te zorgen.
Er kwamen schoondochters, kleinkinderen. En een lieve vrouw verscheen in mijn leven.
Natuurlijk ging het leven door — zoals het leven gaat. De lieve vrouw verweduwde me voor de tweede keer. Mijn zoon verloor zijn vrouw en mijn kleindochter haar moeder.
Een andere schoondochter koos voor haar eigen weg. Een zoon vertrok naar de Verenigde Staten.
Wat overeind bleef was mijn liefde voor hen, en mijn plezier in het maken. In het exposeren. In het anderen leren wat ik deed.

Maar ergens onderweg verdween dat plezier. Ik weet niet meer precies wanneer. Misschien toen ik mijn werk op sociale media zette — in de goedkeuringsmachine stapte. Misschien ook omdat je bij het ouder worden als vrouw langzaam uit de maatschappij wordt geschoven. Ongemerkt, maar voelbaar.

Bij het opruimen vond ik oud werk terug. En ik herinnerde me hoe het voelde om het te maken.
Ik wil dat terug. Niet het succes, niet de likes, niet de bevestiging. Het plezier zelf — zonder goedkeuring. Puur het maken, zoals vroeger op die ochtenden: oh, vandaag ga ik dit proberen.

Dat is genoeg. Dat was altijd genoeg.


Gelezen:

  • De poëtica van de ruimte, Gaston Bachelard
  • Essay Authenticiteit als product,
    Lieke Knijnenburg, De groene Amsterdam 6 mei 2026
  • mijn gedachten, herinneringen en handen

  • oude stoffen
    in de jaren zacht geworden
    met de vage geur van gebruik
    een vleug parfum
    wat groene zeep

    wil ik door mijn handen laten glijden

    versleten borduursels
    losse draadjes
    sleetse plekjes

    gladstrijken met mijn vingertoppen

    en dan langzaam
    heel langzaam

    mijn gezicht naar mijn handen buigen

    joy
    bonheur

    alles kunnen helen


    ©IJda Smits IJBer

    Scroll naar boven