De roze driehoek

Gelezen:

De Groene Amsterdammer, 22 juli 2026:
medestanders, tegenstanders

NRC, 31 juli 2026:
is zichtbaarheid een vloek op een zegen?


JEZEBEL

Als mijn lijf weer vloeien gaat
Als mijn heupen zachtjes deinen
Als mijn ogen zoekend lonken
Laat me los zonder haat

Als ik als een femme fataal
Iedere vrouw probeer te vangen
Weet dat ik je niet verraden
Vergetelheid zoek van moraal

want:
Soms neemt mijn hoerige kant
de overhand
Vergeef me dan en neem me
als je kan
Daarna in beide armen
en wieg me
Zachtjes heen en weer
en stil
de pijnlijk opgelegde normen


Beeld en gedicht boven uit:
De laatste dwaze krabbels, 2024
Eigen uitgave

Gedicht Jezebel
IJda Smits
Voor het eerst gepubliceerd in : De nieuwe Wilden in de Poëzie,
Feministische Uitgeverij Sara, 1987.
Daarna in: Zacht gezicht aan zacht gezicht,
Uitgeverij de kleine Uil, Groningen.


© IJda Smits | IJBer 2026

Ik las in de NRC een artikel over de Pride en de toenemende onverdraagzaamheid tegenover lhbtiq+-mensen. Kort daarvoor las ik in De Groene Amsterdammer dat lhbtiq+ geen politieke stroming is, maar een bont gezelschap van mensen met alle mogelijke overtuigingen, van uiterst links tot uiterst rechts. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het wordt vaak vergeten. We delen geen wereldbeeld. We delen hooguit dat we niet binnen de vanzelfsprekende norm vallen.
Deze artikelen brachten me ertoe weer eens in mijn herinneringen te graven.

De eerste openbare homodemonstratie in Nederland vond plaats op 21 januari 1969 op het Binnenhof in Den Haag. Ik was daar niet bij. Ik was eenentwintig, had een peuter van twee en andere zorgen.
Mijn eerste demonstratie was tien jaar later: de eerste Roze Zaterdag, in 1979 in Roermond. Het was geen Pride zoals die nu bestaat, maar een demonstratie. We demonstreerden tegen de uitspraken van bisschop Gijsen. Dat was geen feestje. Dat was spannend. Er waren scheldpartijen, bedreigingen, tegendemonstranten en veel politie. Je liep daar niet omdat het gezellig was. Je liep mee omdat je vond dat je zichtbaar moest zijn. Ik heb daarna nog jarenlang meegelopen.

Ik herinner me ook een nieuwjaarsreceptie van de gemeente waar ik toen woonde. We besloten erheen te gaan om zichtbaar te zijn. Mijn kinderen wilden graag mee. Ze droegen, net als ik, een roze driehoekje op hun jas. Ik vond het een veilige plek. Een gemeentehuis. Wat kon daar nu gebeuren?
Totdat mijn jongste zoon, acht jaar oud, langdurig werd aangesproken door een keurige meneer in pak. Ik zag de blik van mijn zoon. Niet boos. Niet bang. Wanhopig. Zo'n blik die zegt: help me eens.
Ik liep naar hen toe.

Wat die man vervolgens tegen mij zei, ben ik nooit vergeten. Blijkbaar vond hij het heel normaal om een kind van acht uit te leggen dat zijn moeder verkeerd was. Hij mocht dat vond hij. Maar mijn liefde voor een vrouw, en het feit dat kinderen opgroeiden in een warm en liefdevol gezin, dát zou schadelijk voor kinderen zijn.
Die omkering van goed en kwaad is me altijd bijgebleven.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik in die jaren ook niet wars was van provoceren. Een ketting met vrouwentekens en gebalde vuisten hing om mijn hals. Ook in mijn kleding maakte ik duidelijk waar ik stond. Niet omdat ik ruzie zocht, maar omdat ik weigerde onzichtbaar te zijn. Dat kleine roze speldje en die andere symbolen zeiden: "Ik besta, wen er maar aan."

En nu? Nu ga ik niet meer.
Ergens onderweg verloor ik de verbinding met de Pride. Vooral doordat het steeds drukker en commerciëler werd. Maar misschien ook omdat ik ouder werd en andere dingen ging doen. Ik weet het niet precies.
Maar ieder jaar bekruipt me hetzelfde gevoel. Ben ik een deserteur geworden? Ik denk het eigenlijk niet.

Nu heb ik een reden. Toen was die reden er niet. Nu kan mijn lijf niet meer wat het vroeger kon. Ik kan niet meer uren lopen. Ik kan niet meer hard wegrennen als dat nodig is. Ik moet tegenwoordig opletten als ik me tijdens een wandeling omdraai, omdat juist dát mijn evenwicht verstoort. Ouder worden is pijnlijk concreet.
Ik weet wel dat mijn betrokkenheid niet is verdwenen, maar van vorm is veranderd. Net als ik en net als de Pride.

Nu schrijf ik. Ik maak kunst. Dat is mijn manier.

En toch, ieder jaar als de Pride er weer is en de straten zich vullen met de regenboogkleuren, voel ik heel even de jonge vrouw van vroeger naast de vrouw die ik nu ben. De een wil nog steeds meelopen. De ander weet dat ze het niet meer kan.

Ik gun ze allebei hun gelijk.

Scroll naar boven