Gelezen:
Hannah Arendt: Eichmann in Jeruzalem.
NRC 3 maart 2026 column Maxim Februari,
De normalisering van het radicale kwaad
Diverse artikelen over autonome wapens.
het is anders
weet je
zo anders hoe traag
de laatste beweging is
die je maakt
het is anders
weet je
als winden wervelende
woorden inblazen
die je niet begrijpt
het verandert
weet je
zodra je niet meer weet
dat het anders is
dat het verandert
als je beweging stolt
en de woorden verdwijnen
Gedicht: 24 april 2026, eerste publicatie
Schetsboek pagina:
Proberen de wind te vangen
april 2026
© IJBer | IJda Smits 2026
is net zo onmogelijk als begrijpen waarom mensen mensen doden
Ik ben vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren en opgevoed met verhalen over de oorlog — over wie er 'weg' waren, over de holocaust met alle gruwelijke details, over honger en het tekort aan alles. En ook met een behoorlijke afkeer van alles wat Duits was. Niet van mijn vader, want hij vertelde mij altijd dat je niet moet haten — dat haat een gevoel is waar jezelf aan ten gronde gaat. Maar wel door de docenten op school en de ouders van mijn vriendjes. Hij huilde toen ik voor een poosje naar Berlijn vertrok. Vergeven en vergeten kon hij niet.
'Dat nooit meer' zei iedereen — maar het haten sleet maar langzaam weg. Langzamer dan de ontwikkeling van welvaart en vrede in ons werelddeel duurde. We vielen een beetje in slaap.
Maar nu voel ik de urgentie om er over na te denken, omdat ik merk dat mijn vanzelfsprekendheden beginnen te schuiven — en ik wil begrijpen waar, en waarom. Om bij de les te blijven. Of in mijn geval: in de tijd te blijven.
Ik geloof niet in neutraliteit. Ik geloof in stelling nemen — in politiek, in het leven, in de wereld, en zeker in de tijd waarin we nu leven. Maar zelfs daar ben ik niet meer zeker van.
En toch merk ik verschuivingen.
Niet in wat ik denk, maar in wat ik toelaat, wat ik accepteer, wat ik gemakshalve vergeet. Het zijn geen grote stappen, geen duidelijke momenten waarop ik een grens overga — maar kleine, glijdende veranderingen die zich opstapelen.
De berichten zijn er. Over technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden. Over toepassingen die ooit ondenkbaar waren en nu gewoon in ontwikkeling zijn. Over oorlogen waarin technologie steeds autonomer wordt ingezet — op grotere afstand van degene die beslist, en degene die getroffen wordt.
Het staat gewoon in de krant. Israël, Amerika, Oekraïne — landen die autonome systemen inzetten of ontwikkelen. En daar zit voor mij een scheur.
Want Israël, Amerika en Rusland — die zijn in mijn hoofd de agressor, de macht. Maar Oekraïne is het land dat wordt aangevallen, dat vecht om te overleven. En toch: als de oorlog eindigt, gaat de ontwikkeling en productie van autonome drones in Oekraïne door. De technologie verdwijnt niet. Wat dan? Waar wordt het dan gebruikt?
Het bleef liggen, dit stuk. Wilde niet geschreven worden. Niet door mij — ik wilde niet, wilde er niet over nadenken. Maar toch bleef er steeds een stukje bijkomen, tussen het haken en het verwoed aan mijn website werken door.
In de NRC schreef Maxim Februari een column over De normalisering van het radicale kwaad, waarbij hij Hannah Arendt citeert — de twintigste-eeuwse politiek filosoof die als geen ander heeft nagedacht over wat mensen elkaar kunnen aandoen, en hoe gemeenschappen daar mee omgaan. Arendt maakte onderscheid tussen fouten die vergeven kunnen worden, en wat zij het 'radicale kwaad' noemde: daden zo buiten elke menselijke maat dat ze zich, in haar woorden, "buiten de context van de menselijke samenleving begeven." Ze kunnen niet worden gestraft, niet worden vergeven. Ze vallen buiten het bereik van wat mensen onderling kunnen rechtzetten.
Februari past dat begrip toe op autonome wapens: autonoom gedrag dat niet kan worden bestraft en niet kan worden vergeven — omdat er niemand is die beslist, en dus niemand die verantwoordelijk kan worden gehouden.
Omdat elk afzonderlijk bericht nog geen moment is waarop alles anders wordt, omdat alles wordt ingebed in taal die geruststelt: innovatie, veiligheid, efficiëntie. Omdat er ook op mijn angsten en onveiligheid wordt ingespeeld. Omdat de vraag niet is óf we iets moeten doen, maar vooral hóé. Maar in die verschuiving van 'of' naar 'hoe' verdwijnt iets wezenlijks.
Ik gebruik AI, de technologie zelf. Het helpt me opzoeken, denken, schrijven, ordenen. Het sluit aan bij hoe ik werk en kijk. Juist daarom voel ik de spanning zo scherp. Want gebruik is niet neutraal. Wat wij gebruiken, ondersteunen we — al is het maar een beetje.
En dus stel ik mezelf een vraag die steeds minder abstract wordt: waar werk ik mee, en waar werk ik aan mee?
Er is geen eenvoudig antwoord. Maar ik herken het patroon. Niet als een herhaling van de geschiedenis, maar als een beweging die we vaker hebben gezien: grenzen die niet worden overschreden maar langzaam verschuiven. Waarbij elke stap op zichzelf verdedigbaar is, totdat het geheel iets anders is geworden dan we ooit hadden bedoeld.
We wennen snel. Misschien wel te snel.
Wat mij verontrust is niet alleen wat er gebeurt, maar hoe vanzelfsprekend het wordt gevonden. Hoe taal verzacht wat eigenlijk op scherp zou moeten staan. Hoe twijfel wordt weggeredeneerd omdat het niet efficiënt is.
Terwijl juist die twijfel nodig is. Niet om stil te vallen, maar om te voorkomen dat we gedachteloos verder gaan.
Er wordt vaak gedaan alsof er geen alternatief is. Alsof dit simpelweg is waar de wereld naartoe gaat. Ik geloof dat niet. Ik denk dat er altijd een moment is waarop je kunt vertragen. Waarop je kunt weigeren om iets vanzelfsprekend te vinden, alleen omdat het overal gebeurt.
Misschien is dat geen groot gebaar. Misschien verandert het de wereld niet.
Maar het verandert wel iets anders:
Het moment waarop je ophoudt met jezelf geruststellen — en begint met werkelijk te kijken naar waar je deel van uitmaakt.